'Divine Comedy' is een bijtende aanklacht tegen de Iraanse filmindustrie, zelfs de luchtige toon blijkt een soort middelvinger
In dit artikel:
Ali Asgari maakte een metafilm over het eigen gevecht met censuur: Divine Comedy vertelt op bijtende en tegelijk liefdevolle wijze hoe films in Iran kunnen worden weggehouden van hun publiek. De fictieve regisseur Bahram (gespeeld door Bahram Ark) werkt in het Turks-Azeri, krijgt geen vertoonvergunning van het ministerie van Cultuur en ziet zijn werk niet officieel worden vertoond. Aanvankelijk opent de film met een onvertaald Turks-Azeri gedicht, een motief dat meteen duidelijk maakt wat er gebeurt als kunst het publiek niet bereikt.
Bahram en zijn producent Sadaf (Sadaf Asgari) gaan per roze scooter door Teheran op zoek naar mensen die bereid zijn de verboden film toch te tonen: bioscoopuitbaters, acteurs en uiteindelijk zijn tweelingbroer Bahman (gespeeld door Bahman Ark), die commerciële successen boekt met door de staat goedgekeurde komedies. Die tocht wordt gepresenteerd als komedie — lichte muziek en klunzigheid verschuilen een bittere aanklacht tegen een filmklimaat waarin alleen bepaalde genres probleemloos kunnen circuleren. De minister van Cultuur verschijnt in beeld zonder gezicht, een truc die de censuur onpersoonlijk en alomtegenwoordig maakt.
Asgari baseert Divine Comedy deels op zijn eigen ervaring: na het verbod op zijn eerdere film Terrestrial Verses organiseerde hij guerrillavertoningen in cafés en bij vrienden thuis om toch publiek te vinden. Dat persoonlijke uitgangspunt verandert hij in een meta-verhaal: de film binnen de film draagt dezelfde titel en is losjes geïnspireerd op Dante’s reis door hel, vagevuur en hemel — hier vertaald naar de censuurcommissie, de bioscopen en een vertoning bij de broer. De komische vorm functioneert dubbel: ze imiteert de smaak van de marktfavorieten én schuift zijdelings kritiek onder de deur.
Divine Comedy sluit aan bij recente metafilms die tonen hoe moeilijk het is om verboden projecten zichtbaar te maken (vergelijkbaar met Zia Angers My First Film). Door het onafgebreidelde tonen van het proces van onvertoond blijven, stelt Asgari vragen over de waarde van arthouse tegenover commerciële cinema en over de betekenis van kunst als het publiek ontbreekt. De film erkent het falen en de absurditeit van censuur, maar toont ook hoe makers sluiproutes vinden om hun werk – zelfs als het niet helemaal begrepen wordt – toch te laten bestaan.