Ehsan Jami - Links kijkt weg van islamisme. Waarom het Iraans regime niet mag winnen
In dit artikel:
Vijf weken na de gezamenlijke Amerikaanse en Israëlische aanval op het regime in Teheran (gestart op 28 februari 2026) trekt Ehsan Jami hevige conclusies: Europa is politiek versplinterd en links reageert met luid protest en beroep op internationaal recht, maar die verontwaardiging is volgens hem gevaarlijk naïef. Dit is volgens Jami geen klassieke strijd om grondstoffen of invloed, maar een confrontatie over de fundamenten van de mondiale orde — een gevecht waarvoor afschrikking en geloofwaardige macht essentieel zijn.
Afschrikking verliest zijn werking zodra die ongeloofwaardig wordt. Jami verwijst naar de chaotische Amerikaanse terugtrekking uit Afghanistan in 2021 en de daaropvolgende Russische invasie van Oekraïne als voorbeelden die revisionistische staten overtuigden dat het Westen verdeeld en risicomijdend is. Die perceptie ziet hij versterkt door interne verdeeldheid binnen de NAVO en door politici die openlijk dreigen met terugtrekking uit bondgenootschappen. Als Washington en zijn bondgenoten niet bereid zijn militair optredend gezag te tonen, zo waarschuwt hij, kan dat Xi Jinping ertoe verleiden de grens van wat acceptabel is tegenover Taiwan op te zoeken. Kort gezegd: zwakte lokt expansie en ondermijnt langdurige veiligheidsgaranties.
Een tweede kernpunt is Jami’s analyse van islamisme als expansieve politieke ideologie. Hij betoogt dat het regime in Iran niet louter een lokaal probleem is; zolang het overeind blijft, biedt het een template dat imitatie, radicalisering en netwerken van geweld mogelijk maakt. Een standhoudend theocratisch regime met raketten, proxies en nucleaire ambities functioneert voor sympathisanten wereldwijd als bewijs dat hardheid loont. Ideeën en legitimiteit reiken verder dan grenzen en kunnen binnen Europa leiden tot inspirerende radicalisering, beïnvloeding en normalisering van antiwesterse houdingen.
Jami levert scherpe kritiek op West-Europees links. Hij noemt veel oproepen tot staakt-het-vuren morele performance die weinig kost en weinig risico inhoudt, en stelt dat decennia van reflexmatig anti-imperialisme het vermogen hebben uitgehold om onderscheid te maken tussen agressor en verdediger. Waar vorig jaar in Iran tienduizenden mensen stierven bij onderdrukking van protesten, zag hij bij grote delen van links weinig oprechte verontwaardiging. Die selectieve verontwaardiging, zegt hij, zorgt voor een morele inconsistentie: de veroordeling van westerse machtsoefeningen gaat soms samen met het negeren of minimaliseren van ideologisch geweld door autoritaire of theocratische regimes.
Tegelijk benadrukt Jami dat zijn pleidooi niet voortkomt uit blind militarisme. Hij erkent de menselijke tol van bombardementen en de verwoesting van burgerinfrastructuur; zijn doel is volgens hem geen bezetting maar ontmanteling: Iran dwingen zijn nucleaire programma op te geven, proxy-netwerken af te bouwen en ruimte te geven aan een bevolking die naar vrijheid verlangt. De vraag die hij Europa stelt is strategisch en normatief tegelijk: hoeveel schade en legitimiteit is men bereid te accepteren voordat men ingrijpt? Voor Jami is het risico dat een falende afschrikking niet alleen de regio maar ook Europa en de wereldlange economische en politieke structuren ondermijnt.
Kortom: Jami ziet de huidige controverse niet als een ver-van-mijn-bed-conflict maar als een test van de westerse coherentheid en lange-termijnveiligheid. Zijn boodschap: macht en vrede zijn geen opposieten; geloofwaardige verdediging is volgens hem soms de voorwaarde voor het behoud van vrijheid en stabiliteit. Voor lezers zonder achtergrondinfo is het nuttig te weten dat deze discussie ook praktijkscherven kent — van debat over burgerlijke slachtoffers en internationaal recht tot vragen over NAVO-cohesie, wapenleveranties en humanitaire hulp — en dat de uitkomst van zulke conflicten langdurige geopolitieke gevolgen kan hebben.